J.M. van Kempen (III)

Utrechtse zilversmid (1814-1877)

De naam Van Kempen is lange tijd een begrip geweest in de Nederlandse zilverindustrie. Dit is vooral te danken aan Johannes Mattheus van Kempen (1814-1877), de eerste zilverfabrikant die de toenmalige moderne productietechnieken in Nederland introduceerde. Daarmee wist hij zijn ideaal te realiseren: de serieproductie van zilveren sier- en gebruiksvoorwerpen. In 1858 verhuisde het bedrijf van Utrecht naar Voorschoten. In 1919 vond er een fusie plaats met de firma's van C.J. Begeer uit Utrecht en Jac. Vos & Co uit Rotterdam. Deze fusie leidde enkele jaren later tot het vertrek van de Van Kempens uit Voorschoten.

Johannes Mattheus van Kempen trad in de voetsporen van zijn vader en grootvader beiden ook Johannes Mattheus en werd eveneens zilversmid. Zijn grootvader was de in 1764 te Utrecht geboren Johannes Mattheüs van Kempen in 1789 toegelaten als meester tot het gilde van zilversmeden. Diens zonen Pieter Johannes (1790 - 1831) en Johannes Mattheüs (II) (1792 - 1831) waren eveneens zilversmid te Utrecht.

In 1834 koopt Johannes Mattheus III (1814-1877), goud- en zilverkashouder, een bescheiden winkelpand aan de Choorstraat in Utrecht.

Hij realiseert zich dat de fabrieksmatige zilverproductie een steeds belangrijkere rol zou gaan spelen en de traditionele ambachtelijke edelsmeedkunst zou gaan verdringen. In 1851 liet hij in een groot middeleeuws pand aan de Oude Gracht, dat hij inmiddels had gekocht, een voor die tijd uiterst moderne stoommachine plaatsen. Op deze manier kon hij, met de hulp van een toenemend aantal goed opgeleide medewerkers, zijn ideaal realiseren: het op moderne wijze produceren van goedkopere, maar kwalitatief goede zilveren voorwerpen.

J.M. van Kempen wilde 'stijlzuiver' zilver ontwerpen. In een brochure die in 1851 verscheen bij zijn inzending voor de Wereldtentoonstelling in Londen bespreekt Van Kempen de vijf stijlen die hij voor zijn zilverwerk gebruikte: Grieks, Gotisch, Renaissance, Lodewijk XIV en rocaille.


De belangrijkste bijdrage van een Nederlandse zilversmid aan de eerste wereldtentoonstelling, in 1851 in Londen gehouden, was die van de Utrechtse zilversmid J.M. van Kempen. Zijn inzending bestond uit voorwerpen in vijf verschillende historiserende stijlen. Iedere stijlperiode was met enkele voorwerpen vertegenwoordigd. In een begeleidend schrijven legde Van Kempen uit dat hij had getracht om elke stijl zo getrouw mogelijk te interpreteren. De ster van de inzending was deze juwelenkist, die volgens de zilversmid zelf kenmerken van de Renaissance vertoont.
Onder Renaissance verstond Van Kempen de stijlperiode die in de late 15de eeuw in Italië was begonnen en die in de loop van de 16de en de 17de eeuw in Frankrijk en in Engeland triomfen had gevierd. Evenals zijn tijdgenoten maakte Van Kempen geen onderscheid tussen de vroege Italiaanse Renaissance en de latere Franse en Engelse verwerkingen daarvan. Vandaar dat in de versiering van de juwelenkist motieven uit beide stromingen herkenbaar zijn: de kopjes in de medaillons gaan terug op een inventie van de Italiaanse beeldhouwer Lorenzo Ghiberti (1378-1442), terwijl het rolwerk waarmee de wanden en de randen van het deksel versierd zijn, juist kenmerkend is voor de laatste fase, die wij nu Maniërisme noemen. Van Kempen waardeerde in de Renaissance vooral de vooruitspringende ornamentiek - de combinatie van vlak ornament en sculpturale elementen.
De ontwerper van de juwelenkist, de schilder en tekenaar Gerardus Willem van Dokkum (1828-1903), is erin geslaagd om de verwijzingen naar het verleden samen te smeden tot een onmiskenbaar 19de-eeuws voorwerp. In zijn ontwerp nam hij onder meer sculpturale elementen van eigen vinding op. Het meest aansprekend is het hondje op het deksel, dat hier als bewaker van de juwelenschat functioneert. Onder zijn voorpoot houdt hij een exacte kopie van de sleutel waarmee de juwelenkist kan worden geopend.


Met drie van zijn zonen is Johannes Mattheüs de oprichter en eerste directeur van de 'Koninklijke Nederlandse Fabriek van gouden en zilveren werken J.M. van Kempen & Zonen te Voorschoten. Bij de opening van de nieuwe fabriek in 1858 te Voorschoten is het predicaat 'Koninklijk' aan het bedrijf verleend. Er werden Engelse vaklieden aangetrokken om de nieuwste technieken voor het produceren van lepels en vorken te introduceren en bekende tekenaars als Gerard Willem van Dokkum en Hendrik Jacobus Valk, maar ook diverse anonieme ontwerpers, waren verantwoordelijk voor de vaak verrassend moderne vormgeving van het zilver dat in de fabriek van Van Kempen sinds de jaren zestig van de negentiende eeuw werd geproduceerd.

Door de toenemende welvaart in de tweede helft van de negentiende eeuw steeg ook de vraag naar grootzilver en bestek. Dankzij de moderne mechanische technieken kon de fabriek van Van Kempen hieraan voldoen. Tussen 1860 en 1919 ontstonden sier- en gebruiksvoorwerpen zowel in, voor die tijd verrassende, nieuwe vormen als in traditionele achttiende-eeuwse stijlen. Een fabriek met een paar honderd medewerkers moest immers, om winst te maken, rekening houden met de smaak van al zijn klanten.
De fabrieksmatige productie leidde in die tijd nog niet tot massaproductie van grootzilver. Slechts zelden werden er meer dan drie identieke modellen gelijktijdig gemaakt. Dit was wel het geval bij de bestekfabricage waarvoor een aparte afdeling Lepelmakerij werd gebouwd. De variatie in schepwerk nam in die periode enorm toe: croquetscheppen, kaasmessen, sardinevorkjes, viscouverts, elk gerecht kreeg zijn eigen lepel of vork.

Bij Van Kempen hechtte men veel waarde aan goede kwaliteit en zorgvuldige afwerking van de voorwerpen. Niet voor niets kreeg de fabriek in Voorschoten talrijke opdrachten van het Koninklijk Huis en overheidsinstellingen. In 1901 gaf de Zuid-Afrikaanse president Paul Kruger Van Kempen een belangrijke opdracht om een zilveren inktstel te maken voor koningin Wilhelmina.

Hoewel Van Kempen in de 20ste eeuw ook internationale erkende stijlen volgde bleef de verkoop van zilver in de neostijlen belangrijk voor de fabriek, die aan het einde van de 19de eeuw onder verantwoordelijkheid van hoofdtekenaar Jacobus Valk werden ontworpen.
Van Kempen trok in deze periode ook externe kunstenaars aan om ontwerpen te maken, zoals sierkunstenaar Karel Sluyterman. Zijn producten worden gekenmerkt door de toepassing van sierlijke florale art nouveau motieven. Ook andere, anonieme kunstenaars ontwierpen in deze art nouveau stijl voor de fabriek.
Naast deze uitbundige ontwerpen maakte Van Kempen begin vorige eeuw ook producten die eenvoudiger en strakker van vorm zijn. Zo werden theeserviezen en schepwerk gedecoreerd met geometrische ornamenten.
De tekenaar Valk leidde een groot aantal graveurs en tekenaars op, als Jan J. Warnaar die een belangrijke ontwerper op de tekenafdeling werd. Warnaar ontwierp in de jaren tien van de 20ste eeuw bokalen, bijouteriedozen en lepels gedecoreerd met oriëntaalse ornamenten en halfedelstenen. In 1922 vertrok hij echter, in 1924 gevolgd door zijn chef Valk.
De beeldhouwer Hendrik A. van den Eynde was in die tijd een belangrijke freelance ontwerper voor Van Kempen, met als zijn meesterwerk een symbolistische urn uit 1919, die als hoogtepunt van Nederlandse zilverkunst geldt.
Met de kunstenaars-ontwerpen trok Van Kempen de aandacht en hoopte op dermate positieve krittieken dat ook het gewone, moderne werk goed verkocht werd. Het wist om die reden beeldhouwer Johan Altorf en de sierkunstenaars Tjipke Visser en Françoise Carbasius aan zich te binden, wiens werk op diverse tentoonstellingen en in de bedrijfsstand op de Utrechtse Jaarbeurs werd gepresenteerd.

In 1919 fuseerde de fabriek met de Koninklijke Utrechtsche Fabriek van zilveren werken C.J. Begeer en Jac. Vos & Co uit Rotterdam. De productie in Voorschoten werd voortgezet onder de naam Koninklijke Nederlandse Edelmetaalbedrijven Van Kempen, Begeer en Vos (KNEB) te Voorschoten. Carel Begeer werd na jarenlange interne onenigheid in 1925 directeur van de firma.

Koninklijke Van Kempen en Begeer
Koninklijke Van Kempen en Begeer is een voortzetting van de oorspronkelijk in Utrecht door de zilversmid Johannes Mattheüs van Kempen (1764 - 1833) gestichte zilversmederij.

Websites: www.rijksmuseum.nl, www.rijksmuseum.nl/collectie

© 2007 - 2017 Oud Zilver | sitemap | rss | webwinkel beginnen - powered by Mijnwebwinkel