Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

 

 

Jugendstil

Aubrey Beardsley  Affiche van Adolfo De Karolis

Jugendstil is een kunststroming die tussen 1880 en 1914 op verschillende plaatsen in Europa opkwam, voornamelijk als reactie op het vormvervagende impressionisme.

De beweging staat ook onder verschillende andere namen bekend:

Een gemeenschappelijk kenmerk van deze jugendstil-stromingen is het gebruik van golvende ornamentele lijnen, vaak in de gedaante van gestileerde planten. Elk jugendstilproduct is een gesamtkunstwerk omdat dezelfde stijlkenmerken terugkomen in een gebouw, meubel of siervoorwerp.

In januari 1896 gaf Georg Hirth in München het satirische weekblad Die Jugend uit. De randillustratie werd verzorgd door Otto Eckmann, Bernhard Pankok en Bruno Paul. Al in het eerste hoofdartikel brak Hirth een lans voor de kunstvernieuwing. De term Jugendstil verscheen in een tekst van de revue Insel van Rudolf Schröder, in hetzelfde jaar. In de volksmond werd jugendstil ook spaghettistijl of style nouille genoemd, vanwege de typische golvende lijnen. De stroming kreeg ook de benamingen slaoliestijl (naar aanleiding van reclame voor slaolie in jugendstil), style Horta (naar de Belgische architect) en style métro toegemeten. In 1894 al maakte de style Mucha ophef, naar aanleiding van de expositie van zijn arabeske Sarah Bernhardt-affiches, in Parijs.

In datzelfde 1896 opende Siegfried Bing zijn Parijse galerij L'Art Nouveau, in de Rue de Provence. Hij werd de grote Franse stimulator van de vernieuwende kunst. De stroming is naar zijn galerie genoemd.

In 1897 werd Gustav Klimt de eerste voorzitter van de pas te Wenen gestichte Sezession.

Ondanks de opvallende regionale verschillen zijn er een aantal kenmerken die deze stromingen verenigen: een optimistisch wereldbeeld en geloof in de toekomst, een voorliefde voor het gebruik van nieuwe, moderne technieken (in de architectuur bijvoorbeeld grote glasoppervlakken), een afkeer van symmetrie en een voorkeur voor ornamentiek, waarbij bloem- en vogelmotieven domineren.

De stroming kende een korte maar hevige bloeitijd. In West-Europa was de stijl ruim voor 1910 al verleden tijd, in het oosten kon ze wat langer overleven.

De jugendstil manifesteerde zich vooral in gebruiksvoorwerpen (glaskunst, plateel, sieraden, meubels etc.), de architectuur en de schilderkunst.

Inhoud

[verbergen]

[bewerk] Architectuur

Beurs van Berlage, Amsterdam.
Versieringen op woonhuis in Den Haag
Tegeltableau in Station Haarlem.
Lucerna passage Praag

Bij het architectuurerfgoed van de jugendstil valt op dat de stijl bijzonder in trek was bij degenen die in deze economisch voorspoedige periode geld te besteden hadden: jugendstilgebouwen zijn meestal hotels, warenhuizen en andere winkelpanden, kantoren van verzekeringsmaatschappijen en villa's van industriëlen.

De stijl heeft, overal waar men haar toepaste, regionale elementen in zich opgenomen en kon uitstekend overweg met wat plaatselijk in de mode was. Op verschillende plaatsen werden oosterse elementen geïntroduceerd (met name in Hongarije, maar ook in Nederland). In Finland strookten de doelstellingen met die van de nationaal-romantische beweging. In Duitsland nam de stijl folkloristische motieven op. Voornaamste verschil tussen de Frans-Belgische art nouveau en de Duits-Oostenrijkse jugendstil in enge zin zijn de vloeiender, ijlere lijnen van de art nouveau tegenover de strengere, hoekiger jugendstil.

Jugendstil is in vrijwel alle Europese metropolen en (vooral ook) provinciesteden te vinden (en ook in de Nieuwe Wereld, bijvoorbeeld in Chicago). Een selectie (gegroepeerd naar de toenmalige geografie):

Wenen, Praag, Brussel en Riga mogen de hoofdsteden van de jugendstil worden genoemd.

Nederland is qua art nouveau onderbedeeld. Een op de Duitse jugendstil lijkende stijl komt echter vrij veel voor. De in die tijd al dominante architect H.P. Berlage ontwikkelde met zijn Koopmansbeurs (Beurs van Berlage) in Amsterdam een variant die hij zelf rationalisme noemde. Duidelijk een geval van 'Nieuwe Kunst', maar lang niet zo weelderig als bijvoorbeeld de Parijse, Brusselse en andere voorbeelden. In de Beurs van Berlage vindt men wel op uitgebreide schaal bloem- en natuurmotieven in de verlichting en -gestileerd- in de wand- en vloerbekleding. De architectuur zelf is echter functioneel-rationalistisch.

Veel jugendstilkunst is in Nederland bewaard gebleven in de vorm van tegeltableaus, vaak in portieken naast woningen of winkels.

[bewerk] Schilderkunst

Schilders die zich lieten inspireren door de jugendstil waren:

[bewerk] Toegepaste kunsten

De jugendstil of art nouveau als gesamtkunstwerk uitte zich ook in gebruiksvoorwerpen zoals meubels, wanddecoratie in sgraffititechniek, glaskunst, sieraden en kleding.
In Frankrijk maakt Lalique naam met zijn ontwerpen in glasdeeg. Als ontwerper van sieraden is de Belgische edelsmid Philippe Wolfers bekend voor zijn verfijnde juweelcreaties zoals sierspelden met motief van een waterjuffer, gordelgespen of fibula, diademen, kammen, hangers en waaiers. Daarnaast ontwierp Henry Van de Velde serviesgoed, bestekken en de sierlijke kledij voor zijn vrouw.

[bewerk] Ontwikkelingen

De meeste ingangen van de Metro van Parijs zijn versierd met art nouveau-ornamenten.
Jugendstilbeschildering op trams was in het begin van de jaren 1900 gebruikelijk. Hier een Haagse museumtram

[bewerk] Van jugendstil en art nouveau naar Nieuwe Stijl

Door de industriële revolutie hechtte men in Engeland rond 1850 erg veel waarde aan alles wat met mechanisatie te maken had. Het eerlijke en eenvoudige handwerk was uit. Een machinaal vervaardigd product had voor de mensen in die tijd veel meer waarde dan een product dat door ambachtslieden was gemaakt. De industriële revolutie vierde hoogtij. Men verdiende veel in die tijd want de productie was goedkoper geworden. Mensen voelden zich rijk en wilden daarom ook dingen hebben die de echte rijken hadden. Daarom werden vroegere stijlen geïmiteerd en snel en slordig gemaakt om aan de vraag te voldoen. Alles werd een beetje té. Zo had ook de kalligrafie, de met de hand vervaardigde werken in schoonschrift (monniken), in die tijd afgedaan. Dat kwam in dit geval door de opkomst van de drukpers.

Maar er waren mensen die dit klakkeloos imiteren verwierpen en de met de hand gemaakte, traditionele producten wilden beschermen en zelf weer wilden gaan maken. Men vond dat men zelf moest kunnen waarnemen hoe een product tot stand was gekomen. Zo ontstond de Arts en Crafts-beweging.

Jugendstil of art nouveau is dus een naam die wordt gegeven aan de stijlvernieuwing in Europa tussen ca. 1890 en 1910. Het heeft als "zuivere stijl" maar een jaar of 20 bestaan. De term, die in de eerste plaats geldt voor de decoratieve kunsten maar zich vrijwel in alle kunstuitingen manifesteerde, heeft verschillende namen: Modern Style of Liberty Style (Engeland, naar de firma Liberty en Co. in Londen), Glasgowstijl (Schotland), Stile Liberty of Stile Floreale (Italië), Sezessionstil (Oostenrijk) en Nieuwe Kunst (Nederland). De meest bekende termen die voor de stijlperiode tussen 1890 en 1910 worden gebruikt zijn echter: jugendstil of art nouveau. Art nouveau blijft over het algemeen voorbehouden aan België en Frankrijk, terwijl jugendstil wordt gekoppeld aan Oostenrijk en Duitsland. In de namen komen de woorden "nieuw" en "jeugd" voor en daarmee hoor je al de bedoeling van art nouveau en jugendstil namelijk zich onderscheiden van de oude (neo)stijlen.

[bewerk] Algemene kenmerken van jugendstil

Het jugendstilornament is samengesteld uit motieven die gewoonlijk asymmetrische composities vormen met een tweedimensionaal karakter, zoals men dit ziet op meubels, sieraden, lampen, bedrukte stoffen enz. De belangrijkste inspiratiebron is de natuur. De motieven zijn vaak langstelige, gracieus gestileerde planten en bloemen (lelies, kelken, irissen, papavers, rozenknop), vogels (zwanen, pauwen), libellen, de eivorm, wolken- water- en rotspartijen, vaak gecombineerd met slanke vrouwengestalten.

De bewogen lijnen waren een middel om emoties uit te drukken. (Het zielenleven werd belangrijk in die tijd.) We zien deze vormen ook bij de boekdrukkunst en bij de decoratieve vormen van bijv. trapleuningen, balkons en gevels. IJzer was nl. zeer geschikt om verwerkt te worden tot sierlijke gebogen vormen. Dat het in zoveel kunstvormen werd toegepast, kwam omdat het heel gebruikelijk was dat een architect ook meubels, zilver, glaswerken, wandversieringen en affiches ontwierp. De jugendstilkenmerken kwamen het meest tot uiting in de grafische kunst want in dit vakgebied is de lijn het belangrijkste element. De illustraties en de letters werden als één geheel ontworpen. Er ontstond een combinatie van beeld en tekst en dit is nu nog een bron van inspiratie voor kalligrafen. Jugendstilproducten hebben ook vaak Japanse kenmerken zoals lege ruimten en de waaiervorm. Dat kunstenaars met de Japanse kunst in aanraking kwamen kwam o.a. door de kunsthandelaar Siegfried Bing. Hij was erg onder de indruk van de Japanse cultuur die vanaf 1854 op de Europese en Amerikaanse markt kwam. Bing specialiseerde zich in deze kunst en heeft veel Japanse kunst in zijn atelier tentoongesteld. (Zelfs Vincent van Gogh, die ook een klant van Bing was, maakte een paar Japanse olieverven.)

De letters werden in de jugendstilperiode zo min mogelijk geassocieerd met de drukkunst en de mechanische productie. In één tekst kon men meerdere letterhoogten aantreffen doordat enkele of meerdere letters vergroot of verkleind werden. Gewijzigde sociale en economische omstandigheden en de toepassing van nieuwe materialen zoals beton, brachten na de Eerste Wereldoorlog het einde van de jugendstil. In het midden van de jaren zestig van de 20e eeuw beleefde de jugendstil, vooral in ontwerpen voor affiches en textiel, een nieuwe bloei. De lettervormen, vooral de initialen uit de jugendstil- of art nouveauperiode, inspireren nog steeds veel kalligrafen.

[bewerk] Hoe verliep de ontwikkeling van Arts and Crafts tot art nouveau?

Als reactie op allerlei neostijlen (stijlimitatie, kitsch*= slordige machinale uitvoering) ontstond in Engeland aan het eind van de 19e eeuw, de 'Arts and Crafts movement'. Deze beweging, door John Ruskin en later vooral door William Morris gepropageerd, wilde een hervorming bewerkstelligen door de producten niet meer door machines te laten maken maar weer over te gaan op ambachtelijke vervaardiging. Het ideaal was: fraaie, degelijke objecten maken voor de gewone man. Het was niet direct een ontwerp-stijl maar meer een ontwerp-principe. De Arts en Craftsperiode heeft dus geen herkenbare stijlkenmerken. (Helaas was het te kostbaar voor de gewone man. Kunstzinnig was het geslaagd, sociaal faalde het.) Het ontstaan van vele vormen van de nieuwe kunst blijkt dan ook vaak door de Engelse Arts en Crafts te komen. De ideeën van de Arts en Craftsbeweging werden overgenomen in Amerika (Tiffany) en een groot deel van Europa, het eerst in België (o.a. Van Rysselberghe, Horta, van de Velde), in Frankrijk (o.a. Mucha, Toulouse-Lautrec), in Nederland (o.a. Toorop, Cuypers, Dijsselhof, De Roos), in Schotland (Mackintosh), in Duitsland (Eckmann), in Oostenrijk (Wagner), in Spanje (Gaudi) en in Italië, Hongarije en Scandinavië (Kopenhagen).

(*We onderscheiden: neogotisch, neobarok, neorenaissance, neoromaans en neobyzantijns. Overigens is er later wel bewondering voor deze stijlen ontstaan.)

[bewerk] William Morris

William Morris (1834-1896) stichtte in 1861 een atelier waar veel vormen van kunstnijverheid werden beoefend. Hij wordt, hoewel zijn stijl zich niet ontwikkelde tot de bekende zweepslag, door zijn denkwijze gezien als de grondlegger van de jugendstil/art nouveau. Volgens Morris was kalligrafie te beschouwen als ware kunst en zo propageerde hij het ook. Mensen die kalligrafeerden konden zich verder gaan ontplooien en zich kalligraaf noemen. Kalligrafie werd weer een gerespecteerde kunstvorm en kalligrafen werden weer als kunstenaars gezien. Morris en zijn leerlingen hielden zich bezig met het kalligraferen en illustreren van boeken, met het ontwerpen van glas-in-loodramen, met het ontwerpen van behangmotieven, met houtsnijkunst en met het ontwerpen en borduren van wandtapijten. De invloed van Morris was snel in andere landen van Europa, en zelfs in de Verenigde Staten van Amerika, merkbaar. Morris ging helemaal terug naar de oorspronkelijke manier van kalligraferen. Kalligrafische letters mochten volgens zijn beginselen, alleen maar geschreven worden met de ganzenveer of met het penseel. De drukletters die de kalligrafische lettervormen (zoals de gotische letters) hadden vervangen, moesten van Morris verdwijnen. Hij stichtte ook de Kelmscott Press (1890) waar sierlijke vrouwengestalten en bogen van plantenstengels etc. bij boekillustraties veel gebruikt werden. Een andere bekende, jong gestorven, Engelse kunstenaar was Aubrey Beardsley (1872-1898). Hij maakte affiches in een persoonlijke art nouveaustijl. Hij gebruikte veel ononderbroken, asymmetrische slingerlijnen en eenvoudige zwart-wit vlakken. Hij liet zich, net als andere jugendstil-/art nouveaukunstenaars inspireren door het Oosten, de Middeleeuwen, het Keltisch vlechtwerk, de 18e eeuw en de ornamiek in de renaissance. (Op het internet kan je nog veel van zijn affiches bekijken en zelfs kopen.) Hoewel er sprake was van een nieuwe stroming, waren er grote verschillen in de diverse landen.

[bewerk] Art nouveau en Siegfried Bing

Op het Europese continent heerste alom bewondering voor de Arts en Crafts. Men begreep de uitdaging om een nieuwe kunstvorm te scheppen, gebaseerd op inventieve creativiteit en gedegen vakmanschap. Ook hier ging men voorbij aan het sociale element wat toch een belangrijk uitgangspunt was. Zodoende is art nouveau al vanaf het prille begin een luxe, kostbare kunst geweest en slechts betaalbaar door een handjevol liefhebbers.

Ideeën en werk van de Arts and Crafts drongen op het continent het eerst door tot de Belgische kunstenaars in Brussel. Daar ondertekenden in 1883, 20 kunstenaars het manifest van de kunstenaarsgroep "Les Vingt" (De Twintig). De groep had tot doel de progressieve, artistieke krachten te bundelen en gezamenlijke salons te organiseren. De groep was hoofdzakelijk Belgisch, maar had nauwe contacten met de Parijse, Nederlandse en Engelse moderne kunstwereld. De Vingt-leden waren enthousiast over de geschriften van o.a. William Morris en Walter Crane. Crane gebruikte golvende lijnen die we in de omslag van de catalogi van De Vingt terugvinden. Hierop zien we ook dat er gebruik wordt gemaakt van het lege vlak, een belangrijk kenmerk dat men van de Japanse kunst heeft overgenomen.

Siegfried Bing (1838-1905) was van Duitse oorsprong en opgegroeid met de handel in porselein en luxe goederen. Hij verdiende eerst de kost met de productie van nieuw ontworpen serviezen. Al gauw specialiseerde hij zich in de Japanse kunst. Maar de markt voor de Japanse kunst raakte in de jaren tachtig en negentig geleidelijk overvoerd. Bing zocht en vond nieuwe uitdagingen in onder meer de Verenigde Staten. Daar kwam hij in contact met Tiffany. Hij gaf opdrachten om o.a. glas-in-loodramen te laten maken in de fabriek van Tiffany in New York. Tiffany was lid van een groep kunstenaars die een bijzondere schilderwijze toepaste. Ze schilderden de natuur zoals ze deze ervoeren in ongemengde kleuren. De kleurvlakken werden duidelijk door lijnen van elkaar gescheiden. Aan leden van dezelfde groep Nabis-kunstenaars vroeg hij voor zijn nieuwe galerie ontwerpen te maken voor meubilair, textiel, serviezen en boekbanden. Dat was heel ongebruikelijk voor een kunsthandelaar en zo kreeg hij de naam een promotor te zijn Die nieuwe galerie werd in 1895 geopend en heette: L’Art Nouveau. L’Art Nouveau was een progressieve salon waar jonge kunstenaars hun nieuwe kunst exposeerden. Zo kwam deze kunststroming aan zijn naam. Bing was dus een grote stimulator van de vernieuwde kunst.

Hortamuseum: detail trappenhuis

Er zijn verschillen tussen de Belgische en Franse art nouveau. In België werden de plantmotieven vaak gestileerd. Daar ontstond de nu zo bekende dynamische "zweepslag" van Victor Horta (1861-1947) en Henri van de Velde (1863-1957). Horta en Van der Velde zijn twee belangrijke Belgische kunstenaars. (In Brussel is er zelfs een Hortamuseum.) In Frankrijk werden de plantenstengels en bloemknoppen niet zo gestileerd overgenomen maar meer hoe ze er in het echt uitzagen. De ontwikkeling van affiches gaf de kunstenaar een geheel nieuw werkterrein. Door het ontwerpen van affiches, werkten verschillende takken van kunst samen. Daardoor ontstond er eenheid in de grafische- en schilderkunst, in combinatie met de typografie (letterkunst). Er zijn nu nog veel affiches in art nouveaustijl van Belgische en Franse kunstenaars bekend. Bijvoorbeeld die van Alfons Mucha (geboren in Tsjecho-Slowakije en bekend geworden door zijn ontwerp voor Sarah Bernhardt) en van Henri de Toulouse Lautrec staan nog volop in de belangstelling. Mucha creëerde een geheel eigen stijl door op het Hebreeuws geïnspireerde letters te gebruiken. Zijn getekende vrouwenfiguren waren vaak spaarzaam gekleed. Hij produceerde enorm veel. Vorig jaar was er nog een tentoonstelling in Rotterdam over zijn werk. Nog een voorbeeld van de Franse art nouveau zijn de metro-ingangen van Hector Guimard (1867-1942) in Parijs, voor velen de bekendste voorbeelden van de Franse art nouveau. In Frankrijk bloeide de art nouveau vooral in Parijs en Nancy (l’école de Nancy). Deze laatste stad ontwikkelde zich mede dankzij de activiteiten van de glas- en meubel ontwerper Émile Gallé (1846-1904) rond 1900 tot een belangrijk centrum van vernieuwende architectuur en kunstnijverheid

[bewerk] Jugendstil

Al in 1896 had de nieuwe jugendstil in Duitsland en Oostenrijk haar naam gekregen door het tijdschrift "Die Jugend", een geïllustreerd weekblad "für Kunst & Leben" in München. Het lettertype had daar al de kenmerkende vormen van deze nieuwe stijl. Otto Eckmann illustreerde de eerste jaargangen met karakteristieke vignetten en randversieringen. In 1899 werd het tijdschrift "Die Woche" opgericht. Dat was de aanleiding voor Otto om zijn eigen alfabet te ontwikkelen voor de Rudhardsche Schriftgiesserei (Lettergieterij) in Offenbach, compleet met randversieringen en vignetten. Dit werd het klassieke schrift van de jugendstil. Het diende als voorbeeld voor alle later getekende lettertypen.

Duitse jugendstilontwerpers gebruikten gestileerde, natuurlijke elementen. Ze zijn vaak zo gestileerd dat er geen duidelijk planten- of dierenmotief te herkennen is. De kenmerkende zweepslag komen we natuurlijk ook tegen.

De beroemde Belgische architect Henry van de Velde, vestigde zich in Weimar. Daar versoberde zijn stijl en uiteindelijk werkte ook hij in deze gestileerde jugendstil.

[bewerk] Glasgowstijl

De noordelijke facade van Charles Rennie Mackintosh's Scotland Street School in Glasgow, Schotland.

Deze Schotse havenstad groeide in de 2de helft van de 19e eeuw uit tot een groot industriegebied. Zodoende kwam men ook in contact met culturen buiten Groot-Brittannië, zoals Japan. Zowel de Engelse als de Japanse invloed is terug te vinden in het werk van één van de belangrijkste ontwerpers van die tijd: Charles Rennie Mackintosh (1868-1928). Hij vormde samen met zijn vrouw en nog twee anderen "The Glasgow Four". Kenmerkend voor hun werk is een elegante, verticale lijnvoering.

Veel voorkomende motieven in zijn werk zijn de rozenknop en de eivorm. Eén van de belangrijkste werken van Macintosh is de Glasgow School of Art (1896-1909). Na 1910 maakte hij geen werken meer van belang. In eigen land kreeg hij niet veel respons maar in Duitsland en Oostenrijk toonde men veel interesse.

[bewerk] De Sezessionstil

De architect Otto Wagner (1841-1918) is hiervan de bekendste. De schilder Gustav Klimt (1862-1918) richtte de Sezessiongroep op, samen met Josef Hoffmann (1870-1956) en Joseph M. Olbrich (1867-1908). Het was een progressieve kunstenaarsvereniging. Joseph Olbrich ontwierp in 1897 het tentoonstellingsgebouw in Wenen en het affiche van de eerste tentoonstelling van het gezelschap. In Josef Hoffmans gestileerde bloemen is duidelijk de stijl van Mackintosh te zien. Hij maakte strakke, elegante ontwerpen. Olbrich vertrok naar Duitsland en behoort óók tot de kunstenaars van de Duitse jugendstil. In Duitsland had hij de leiding over de bouw van het kunstenaarsdorpje Darmstadt. Hij had de supervisie over de opzet en uitvoering van het atelier- en tentoonstellingsgebouw én de zeven huizen voor kunstenaarsbewoning. Hij ontwierp zelf zes huizen en het atelier- en tentoonstellingsgebouw. In de interieurs valt vooral het mozaïekachtige kleurgebruik op.

[bewerk] De Wiener Werkstätte

In 1903 werden de Wiener Werkstätte (Weense werkplaatsen) opgericht. Hierin werkten veel soorten kunstenaars samen. Er waren veel overeenkomsten met de gildengedachte van de Engelse Arts en Craftsbeweging. In veel ontwerpen van de Weense school is de decoratie kleurig.

[bewerk] Peter Behrens

Peter Behrens (1868-1940) ontwierp zijn eigen (het zevende) huis in Darmstadt en vestigde hiermee meteen zijn naam als ontwerper. In de kunstnijverheidsontwerpen van bijv. meubels, lampen en grafisch werk van Behrens, is duidelijk te zien waarin de Duitse jugendstil zich onderscheidt van de Oostenrijkse en Schotse. De Duitse jugendstil maakt gebruik van natuurlijke elementen en construeert daar de hoofdvorm mee. (De vrouw is gelijk de poot van een lamp, de schelpvormige waaier is tegelijk de kap van een lamp.) Constructie en decoratie zijn op deze wijze versmolten. Hij maakte onder meer ook AEG bekend door tal van covers. Later ontwierp hij ook nog lampen, ventilatoren, posters en meer.

[bewerk] Nieuwe Kunst

Ook in Nederland kwamen er vernieuwingen in architectuur en toegepaste kunsten. Er werden verschillende, soms spottende, namen voor deze stijl verzonnen zoals: vermicelli-, slaolie-, Berlage- of Binnenhuisstijl of stijle nouille, vanwege de lijnen.

De term 'slaoliestijl' is afkomstig van een ontwerp voor een affiche van de NOF ter promotie van de "Delftsche slaolie". Dit was één van de eerste uitingen van de Nederlandse art nouveau afkomstig van Jan Toorop. Jan Toorop heeft in zekere zin als voorbeeld gediend voor een andere grote (Oostenrijkse) jugendstil-kunstenaar, Gustav Klimt.

De andere benamingen kwamen voort uit zeer uiteenlopende uitgangspunten en verschijningsvormen, die te onderscheiden waren. Uit gemak werd de Nederlandse nieuwe stijl uiteindelijk maar bij de internationale art nouveau of jugendstil ingedeeld. Dat belangrijke onderdelen van de Nederlandse stijl tóch een geheel eigen richting vertegenwoordigen, heeft in 1960 geleid tot het in gebruik raken van de benaming Nieuwe Kunst. Deze benaming geeft, net als jugendstil en art nouveau, aan dat de stroming nieuw en jong was en zich wilde onderscheiden van voorgaande stijlperiodes. De meest geliefde vorm van versieren in de Nieuwe Kunst was een geometrische figuur, soms in de vorm van blokjes of een serie blokjes, soms sterk gestileerde planten of dieren. Dit zien we o.a. in het werk van Jac. van den Bosch.

[bewerk] Cuypers en Berlage

In Amsterdam bleef de invloed van de bouwmeester Pierre Cuypers (1827-1921) groot. De architect Hendrik Petrus Berlage (1856-1934), die ook in Amsterdam woonde, richtte in 1900 "'t Binnenhuis" op, dat was een "Inrichting tot Meubileering en Versiering der Wooning" (Binnenhuisstijl). Het Binnenhuis gaf onderdak aan ontwerpers uit alle takken van de kunstnijverheid zoals de graficus Sjoerd H. de Roos (1877-1962), de meubel- en interieurontwerpers Jac. van den Bosch (1868-1948) en Chris Lebeau (1878-1945). Berlage had een eigen stijl, hij bracht bijv. in het ontwerp van zijn stoelen een duidelijke scheiding aan tussen de rechte zitting en leuning (Berlagestijl). Dat was heel anders dan de gebogen houten delen die in Den Haag ontworpen werden. Zijn belangrijkste gebouw in Amsterdam uit deze periode is de Beurs (1884-1903), waaraan ook andere kunstenaars als de schilders Jan Toorop (1858-1928) en Richard Roland Holst (1869-1938) meewerkten. Berlage heeft veel interieurs ontworpen. Hij had geconstateerd dat elke vernieuwing in een stijlperiode begon met een duidelijke reactie op de voorgaande. Daarbij zou eerst de grafische-, dan de toegepaste- en pas als laatste de bouwkunst aan de beurt zijn. Deze volgorde ging in de Nieuwe Kunst net zo. Vanaf ongeveer 1892 maakten jonge ontwerpers zich los van de invloed Cuypers, mede omdat hij vasthield aan zijn historiserende stijl. Dit zien we in het werk van bijvoorbeeld Gerrit Dijsselhof (1866-1924). Voor de Amsterdamse arts W. van Hoorn ontwierp hij tussen 1895 en 1903 een kamer met een houten betimmering en gebatikte wandbekleding. Deze kamer is bewaard gebleven en staat sinds 1935 als 'Dijsselhofkamer' opgesteld in het Gemeentemuseum te Den Haag. In zijn werk maakte Dijsselhof gebruik van gestileerde, van de natuur afgeleide motieven, die geen diepte suggereren. Hij ontwierp in 1893 vignetten en de band voor het boek 'Kunst en Samenleving', het door de criticus en illustrator Jan Veth (1864-1925) vertaalde werk 'The Claims of Decorative Art' van de Engelse Arts & Crafts ontwerper en illustrator Walter Crane (1845-1915). Dit werk had grote invloed op Nederlandse kunstenaars en is een goed voorbeeld van de Nederlandse art nouveau (of 'Nieuwe Kunst').

[bewerk] Jan Toorop

"Delftsche Slaolie", door Jan Tooorop.

In Rotterdam, Delft en Den Haag kreeg de florale Belgische art nouveau met zijn golvende constructies een flinke aanhang. Een beroemd voorbeeld van Haagse art nouveau is het afficheontwerp van Jan Toorop voor een Delftse slaoliefabriek, de NOF (1894, 'slaoliestijl') . In het ontwerp van Toorop is alle diepte vermeden en hij heeft niet geprobeerd om er een schilderij van te maken. De vlakken naast de vrouwenfiguren zijn helemaal opgevuld met golvende lijnen. De mooiste voorbeelden van Haagse art nouveau zijn te vinden in de producten van de aardewerk- en porseleinfabriek Rozenburg. Hierop is een vrije interpretatie van de Oosterse invloed en de florale Frans/Belgische art nouveau te zien met de kenmerkende golvende art nouveau-belijningen.

[bewerk] Gaudí

Antoni Gaudí (1852-1926) is een Spaanse architect. Zijn belangrijkste bouwwerken staan in Barcelona. Deze zijn vaak grillig van vorm, prachtig versierd met mozaïeken van glas, gebroken tegels en origineel smeedwerk. Zijn werk wijkt erg af van dat van zijn tijdgenoten. Hij streefde er naar om architectuur een organisch onderdeel van de natuur te laten zijn. Door zijn bizarre fantasie leidde dat tot zeer ongebruikelijke bouwvormen. Ook zijn meubelen en andere kunstnijverheidsobjecten worden gekenmerkt door abstracte vormen en een vervreemding van het voorwerp. Zijn beroemdste werk is de kerk Sagrada Família in Barcelona, begonnen in 1883 en onvoltooid gebleven. Dat was tevens zijn favoriete project. Doordat Gaudí vele vormen aan de natuur ontleende, wordt zijn stijl "biologisch" genoemd.

[bewerk] Tiffany

Louis Comfort Tiffany (1848-1933) staat bekend als de Amerikaanse art nouveaukunstenaar van gekleurd glas. Hij is de zoon van een beroemde juwelier in New York. Door zijn grote nieuwsgierigheid naar nieuwe dingen begon hij aan een aantal experimenten. Zijn bedoeling was om kunst te combineren met de behoefte van het dagelijkse leven. Iets wat in die tijd nogal ongewoon was. Kunst was nl. voor de rijken. Na bezoek aan een tentoonstelling in Philadelphia waar Arts en Craftsontwerpen te zien waren, raakte hij zo enthousiast dat hij interieurontwerper wilde worden. Tiffany begon te experimenteren met de vervaardiging van gekleurd glas, na terugkeer van een Europese reis. Hij was erg onder de indruk van de kathedraal van Chartres. Hij werd een enthousiaste aanhanger van de Europese art nouveau, die vrije bloemontwerpen gebruikte en op de natuur gebaseerd was. Tiffany gebruikte dat als landschapschilder nl. ook in zijn werk. Hij is de uitvinder van de tot op heden gebruikte methode om stukjes glas, in koperfolie te wikkelen en dan te solderen. In die tijd was het nl. gebruikelijk om glas in lood te zetten. Hij had drie specialiteiten: gebrandschilderd glas, favrile (gekleurd glas) en mozaïek. Tiffany stuurde zijn eerste werk naar de opening van de salon L’Art Nouveau van Siegfried Bing. Zo werd zijn werk tentoongesteld op de meest belangrijke ontmoetingsplaats voor nieuwe kunstenaars. Van Tiffany zijn vooral zijn: glas, schepen, lampen en ramen bekend. Hij maakte ook veel andere dingen zoals: juwelen, meubels, keramiek en kandelaars, kortom alles wat met het interieur te maken had, zelfs gordijnen en behang. Tiffany stuurde de eerste twee jaren alleen maar vazen naar de diverse tentoonstellingen. Zo creëerde hij de vraag. Omdat gebrandschilderde ramen erg duur waren, ging Tiffany over tot serieproductie. Dit is een belangrijk verschil tussen de opvatting over de art nouveau en zijn gedachte over die kunst. Maar zo werden zijn producten minder duur en waren ze voor een groter publiek betaalbaar. Vooral de Tiffany glas-in-loodlampen zijn erg bekend geworden. Aanvankelijk werden de lampen geblazen, later werden de lampen gemaakt van restjes glas die waren overgebleven bij de productie van gebrandschilderde ramen. Zijn werknemers, meest vrouwen, mochten zelf de kleuren bepalen. Zo had iedere lamp toch nog een individueel tintje. Deze lamp werd mede een groot succes doordat de gloeilamp net was uitgevonden (Edison). De bekendste lampen zijn: "Dragonfly" (Libelle) en "Wisteria" (blauwe regen). Het zijn typische art nouveauthema’s uit de natuur. De lampen hadden van voet tot kap de natuurlijke vormen van planten. Ook hier verdween de aandacht voor deze producten na de Eerste Wereldoorlog. Bij de opleving van deze kunst, in de jaren zestig, ontstonden er zelfs winkels met alleen maar neotiffanyproducten.

[bewerk] Verwante design stromingen en stijlen

Jugendstil-design vertoont verwantschap met onder andere de volgende designstromingen en stijlen.

[bewerk] Externe links

 

Schilderstijlen

Classicisme · Realisme · Impressionisme · Postimpressionisme · Neo-impressionisme · Symbolisme · Jugendstil · <a href="http://null/wiki/Expressionisme&quo

© 2007 - 2017 Oud Zilver | sitemap | rss | webwinkel beginnen - powered by Mijnwebwinkel